Plastic bakje

“Komm’ ich trag’ dich durch die Leute
Hab’ keine Angst, ich gebe auf dich Acht

Dat jochie. Ik zie hem daar nog liggen in dat plastic bakje, dienend als wiegje in het ziekenhuis bijna zestien jaar geleden. Hij claimde in één klap de nummer één positie in ons huis, welke eer hij zo’n 22 maanden later overigens wel moest delen met z’n zusje. Ik weet zeker, dat het hem niks uitmaakt.

Dat jochie, dat moest leren om door te slapen, om vast voedsel te eten en om te praten. Had met fietsen (in tegenstelling tot zijn voormelde zusje) niets, maar kon eerder voetballen dan dat hij kon lopen. Mocht op z’n vierde al een heuse competitiewedstrijd spelen in de F3. Havelte uit, altijd lastig. Toen al ongrijpbaar en uiterst trefzeker.

Dat jochie, dat er blijk van gaf, ook in het grote stadion met ruim 30.000 lawaai schoppende supporters, veel verstand te hebben van het door hem zo geliefde spelletje. Vol aandacht de volle negentig minuten lang een wedstrijd volgen. En dat terwijl ie nog vijf moest worden!

Dat jochie, dat ongevraagd al vroeg werd geconfronteerd met tegenslag en een – gelukkig – tijdelijke ziekte. Met medicijnen die hem gefrustreerd over het veld lieten lopen, omdat zijn lichaam eventjes niet meer deed wat hij in zijn hoofd had. Leg dat maar eens uit aan een gezonde jongen van acht/negen jaar oud.

Dat jochie, dat flierefluitend door de lagere school ging en een gouden toekomst werd beloofd, omdat hij er blijk van gaf best pienter te zijn. Die, eenmaal op de “grote school”, moest en moet ervaren dat er in het leven niets zomaar komt aanwaaien!

Dat jochie, dat mij vorig jaar doodleuk vertelde zelfstandig – dus: zonder papa’s hulp – gesolliciteerd te hebben, aangenomen te zijn en al gewerkt te hebben bij een bevriend horecabedrijf in de buurt. Met inmiddels uiterst positieve kritieken van zijn bazen en een gezonde wil om te werken.

Allemaal dat kleine kereltje. Over een maand pas zestien maar nu al een kop groter dan ik.

Morgenochtend om half 11 ben ik, als teamleider, bij het vlaggenschip van mijn plaatselijke voetbalclub. Mijn Joris mag – zonder mijn bemoeienis! – meedoen bij de eerste training en de voorbereiding op het seizoen van de echte mannen. Zeker niet voor een basisplaats, ondanks zijn inzicht, instinct en fluwelen techniek. Nog veuls te jong en niet genoeg spek op de botten. Maar man, wat ga ik op dat bankje naast het veld een potje zitten genieten. Of ik trots ben? Wat dacht u..? Onmeunig!
Dat jochie…

Plaats een reactie